Geschiedenis van de blaarkop

Groningse koeien werden in de Gouden Eeuw door de VOC rondom Leiden gezet voor de proviandering van de grote schepen. Twee eeuwen later was het raak toen in Engeland de industriële revolutie de vraag naar vlees en zuivel explosief liet stijgen. Het werd de gouden eeuw van de Blaarkop. De eeuw waarin de mest van de koe de Bollenstreek liet ontstaan en het vlees en de boter Engeland veroverde.
De Groninger Blaarkop, een egaal zwarte of rode koe met een witte kop en een grote ronde blaar om de ogen, wordt wel de Panda onder koeienrassen genoemd. Het is nu een zeldzaam koeienras waarvan er nog maar 1000 op de wereld zijn.

De Blaarkop is de koe van de Sophiahoeve. Het is een oer Hollandse koe die vroeger massaal rond Leiden stond. Nu is de koe zeldzaam en zijn boerderijen met Blaarkoppen op één hand te tellen. De koe verschilt van andere koeienrassen door de egaal zwarte of rode kleur, de witte kop en de ronde blaren rondom de ogen. Andere rassen zijn vaak zwart of roodbont gevlekt of hebben geen witte kop. Het is een makkelijke sobere koe die niet veel eisen stelt aan zijn omgeving.

Tot de zestiger jaren was de Blaarkop de koe van de Bollenstreek en Leiden en stond ze massaal langs de Oude Rijn tot aan Utrecht. Een echte alleskunner: de juiste melk om zowel de beste boter ter wereld (!) als magere kaas van te maken, uitstekende mest om de geestgronden vruchtbaar te krijgen en na een leven als melkkoe vanwege het fijne vlees zeer geschikt voor de vetweiderij bij Amsterdam, Haarlem en Schiedam. De slagers vochten figuurlijk voor het superieure Blaarkopvlees.

De Blaarkop was in de Gouden Eeuw de beste koe voor de groeiende Hollandse steden. Rondom de steden zorgden consumptiemelkers voor bevoorrading van de stad. Op iets grotere afstand werd boter en kaas gemaakt en het vee vetgemest. De koeien zelf werden ergens anders gefokt. Over het water zullen de eerste blaarkoppen uit Groningen naar de Rijnstreek zijn gebracht om aan de vraag naar melk, kaas en vlees door de grote steden en de Verenigde Oost-Indië Compagnie (VOC) te kunnen voldoen.
Tussen Den Haag en Haarlem werd door honderden kaasboeren magere Leidse Kaas gemaakt die in de achttiende eeuw diende als bevoorrading van de schepen van de VOC en de walvisvaart. De kaas zweet en bederft minder snel in de tropen en werd op smaak gebracht met komijn, ontdekt in Marokko en Malta. Annatto-zaad uit Peru kleurde de korst rood en zorgde voor een betere houdbaarheid. De Leidse Rauwmelkse boter komt van oudsher van de bereiders van Leidse kaas. De afgeroomde melk is van voldoende kwaliteit om nog goede magere kaas van te maken. De Leidse en Delftse boter is superieur van smaak en al vanaf de Gouden eeuw een belangrijk exportartikel dat werd gebruikt door de Franse en Engelse adel. Al deze voordelen zorgden er voor dat rond Leiden als eerste in de wereld gespecialiseerde veeteelt op gang kwam en een landschap ontstond geheel door melveehouderij gedomineerd!

De Blaarkop werd gefokt en afgekalfd in Noord-Groningen en per schip (waar 40 koeien op pasten) in het voorjaar naar Zuid-Holland gebracht. Zo'n boottocht duurde ongeveer twee dagen. Met platboomvaartuigen werden de koeien verder door de streek verspreid. De oude herberg "De Kwaak" tegenover Oud-Poelgeest te Oegstgeest was zo'n verzamelpunt. Later gebeurde dit per trein en werd de Leidse Veemarkt het verzamelpunt.
Veel Blaarkoppen gingen in hun nadagen naar het zogeheten Spoelingdistrict bij Schiedam waar ze met spoeling, een afvalproduct van de jeneverstokerijen, werden vetgemest voor de slacht. De industriële revolutie rond 1820 in Engeland zorgde er voor dat de Engelsen in plaats van één keer vlees per twee weken meerdere keren vlees per week gingen eten! De vraag naar vlees was enorm en begerig werd naar Holland gekeken voor de aanvoer van vers vlees. De spoorlijn Londen - Harwich werd aangelegd en in Rotterdam levend vee gehaald. Dat vee kwam uit het Spoelingdistrict rond Schiedam waar rond 1860 maar liefst 20.000 koeien werden vetgemest, waaronder veel Blaarkoppen. Blaarkoppen, gefokt in Groningen, na een melkzaam leven rond Leiden rond Schiedam vetgemest, om uiteindelijk op de Londense markten te worden verkocht voor de slacht!

Rond 1850 bereikte de vetweiderij bij Schiedam haar hoogtepunt. De eerste bio-industrie ter wereld kende ook een "mestprobleem" waar men echter wel raad mee wist. De vele mest uit het Spoelingdistrict werd gebruikt om de geestgronden in het Westland en de Bollenstreek leven in te blazen. Het was krachtige mest die met duizenden schepen naar de Geestgronden en het Westland werd vervoerd. Deze zogenaamde Schiedammer mest was vloeibaar, goed voor de hyacint en de plakkerige mest zorgde ervoor dat de geestgronden niet verstoven. In rap tempo veranderde de Weidestreek in een Bollenstreek en de Blaarkop die met haar mest de bollenvelden had laten ontstaan kwam onder druk.
Concurrentie uit Argentinië en de Verenigde Staten, de koelcel en het gebruik van kunstmest zorgde voor een lagere vraag naar vlees en mest en de Blaarkop als zogeheten dubbeldoelkoe kreeg het moeilijk. Als antwoord hierop werd de Blaarkop werd meer in de melkrichting gefokt en de koe hield zich rond leiden staande tot in 1975 de Amerikaanse Frisian Holsteinkoe alle Nederlandse koeienrassen overklaste met een enorme melkproductie. Op een paar boerderijen bleef de Blaarkop echter bestaan. De Sophiahoeve is zo'n voorbeeld. Hier werd niet alleen de melk belangrijk gevonden maar ook de topproducten als Leidse boter en kaas en Blaarkopvlees.